Aristoteles – De mens als redelijk dier

Aristoteles (384–322 v.Chr.) was een leerling van Plato, maar ontwikkelde een heel andere visie op de mens. Waar Plato ziel en lichaam van elkaar scheidde, zag Aristoteles deze als onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom wordt zijn mensbeeld een monisme genoemd.

Volgens Aristoteles is de ziel geen afzonderlijke substantie die los van het lichaam bestaat. De ziel is de vorm of essentie van een levend wezen: datgene wat iets maakt tot wat het is. Zonder lichaam kan een ziel niet bestaan, net zoals de vorm van een beeld niet los kan bestaan van het materiaal waaruit het gemaakt is.

Aristoteles onderscheidt drie soorten zielen. Planten beschikken over een vegetatieve ziel, waardoor zij kunnen groeien, zich voeden en voortplanten. Dieren hebben daarnaast een sensitieve ziel, waardoor zij kunnen waarnemen, voelen en bewegen. Mensen bezitten ten slotte ook een rationele ziel. Dankzij dit deel van de ziel kunnen mensen nadenken, redeneren en bewust keuzes maken.

Omdat mensen zowel de vegetatieve als de sensitieve en rationele functies bezitten, noemt Aristoteles de mens een animal rationale: een redelijk dier. Mensen verschillen volgens hem niet volledig van andere levende wezens, maar onderscheiden zich doordat zij kunnen denken over hun handelen en overwegingen kunnen maken.

Auteur: A. Bulder