De Duitse filosoof Helmuth Plessner (1892–1985), die tevens in Groningen heeft lesgegeven, probeerde een antwoord te geven op een centrale vraag binnen de wijsgerige antropologie: wat onderscheidt de mens van andere levende wezens? Volgens Plessner ligt het antwoord in de bijzondere manier waarop mensen zich tot zichzelf kunnen verhouden.
Plessner beschrijft verschillende vormen van leven. Levenloze dingen, zoals stenen, bestaan simpelweg in de wereld. Planten reageren op hun omgeving, bijvoorbeeld door naar het licht toe te groeien, maar hebben geen ervaring of bewustzijn van zichzelf. Dieren gaan een stap verder: zij ervaren hun omgeving vanuit een eigen perspectief. Een dier heeft volgens Plessner een centrische positionaliteit. Het dier is het middelpunt (centrum) van zijn ervaringen en reageert bewust op de wereld, maar kan niet nadenken over zichzelf als ervarend wezen.
De mens onderscheidt zich doordat hij niet alleen ervaringen heeft, maar ook kan nadenken over die ervaringen. Mensen kunnen zichzelf als het ware van buitenaf bekijken. Plessner noemt dit excentrische positionaliteit. Wanneer je pijn hebt, ervaar je niet alleen de pijn, maar kun je ook nadenken over die pijn: “Waarom heb ik pijn?” of “Ik denk dat ik pijn heb” De mens heeft dus niet alleen bewustzijn, maar ook zelfbewustzijn of reflexief bewustzijn.
Daarom stelt Plessner dat de mens zowel een lichaam is als een lichaam heeft. Wij ervaren de wereld vanuit ons lichaam, maar kunnen tegelijkertijd afstand nemen van ons lichaam en erover nadenken. Deze dubbele positie maakt mensen volgens Plessner uniek. We vallen nooit volledig samen met onszelf of onze omgeving. Daardoor kunnen we reflecteren, plannen maken, dromen over de toekomst en zelfs nadenken over wie we willen zijn.
Volgens Plessner verklaart deze excentrische positie ook waarom mensen cultuur ontwikkelen. Omdat wij niet volledig vastliggen in onze natuurlijke omgeving, creëren we zelf gewoonten, tradities, technologieën en samenlevingen. De mens is daarom, in Plessners woorden, van nature een kunstmatig wezen: we geven voortdurend vorm aan onze eigen leefwereld.
Auteur: A. Bulder