Plato – Ziel & Lichaam

Plato (ca. 427–347 v.Chr.) behoort tot de invloedrijkste filosofen uit de geschiedenis. Binnen de wijsgerige antropologie stelde hij de vraag wat de mens eigenlijk is. Zijn antwoord begint bij een scherp onderscheid tussen lichaam en ziel.

Volgens Plato bestaat de mens uit een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel. Daarom wordt zijn mensbeeld een dualisme genoemd. Het lichaam behoort tot de materiële wereld en is voortdurend onderhevig aan verandering, verlangens en behoeften. De ziel daarentegen is immaterieel en kan volgens Plato blijven voortbestaan na de dood van het lichaam.

Om de menselijke ziel beter te begrijpen gebruikt Plato de beroemde metafoor van de paardenmenner. De ziel bestaat volgens hem uit drie delen. De menner staat voor de rede, het vermogen om na te denken en verstandige keuzes te maken. Daarnaast zijn er twee paarden. Het eerste paard vertegenwoordigt moed, eergevoel en wilskracht. Het tweede paard staat voor verlangens, lusten en lichamelijke behoeften. Een goed leven ontstaat wanneer de menner (met de rede) erin slaagt beide paarden te sturen en in balans te houden.

Volgens Plato ervaren mensen daarom vaak een innerlijke strijd. Je weet bijvoorbeeld dat je moet leren voor een toets omdat je een goed cijfer wil halen, maar tegelijkertijd wil je liever op je telefoon kijken of een serie kijken. In zulke situaties botsen wilskracht en verlangens met elkaar. Filosofie helpt volgens Plato om de rede sterker te maken, zodat de ziel zich niet laat meeslepen door haar verlangens.

Het lichaam is een kerker, waaruit de ziel bij de dood ontsnapt

Deze opvatting komt duidelijk naar voren in zijn beroemde uitspraak: “Het lichaam is een kerker, waaruit de ziel bij de dood ontsnapt.” De onsterfelijke ziel zit dus vast in het sterfelijke lichaam. Voor Plato ligt de ware identiteit van de mens uiteindelijk niet in het lichaam, maar in de ziel.

Auteur: A. Bulder