Een van de eerste filosofen die nadacht over wat wetenschap precies is, was Auguste Comte (1798–1857). Hij ontwikkelde het positivisme: de opvatting dat wetenschappelijke kennis uiteindelijk gebaseerd moet zijn op zintuiglijke waarneming. Tip: denk aan ‘positief’ in de zin van ‘positieve’ getetallen: getallen die er wel zijn. ‘Negatieve’ getallen zijn getallen die er niet zijn. Het positivisme heeft het dus over dingen die er wel zijn. Oftewel, het waarneembare.
Volgens Comte heeft de menselijke kennis zich door de geschiedenis heen ontwikkeld in drie stadia:
- Het religieuze stadium: Verschijnselen worden verklaard door goden of bovennatuurlijke krachten. (door geloof)
- Het metafysische stadium: Verschijnselen worden verklaard door abstracte of onzichtbare krachten en concepten. (door nadenken)
- Het positieve (wetenschappelijke) stadium: In plaats van speculatieve verklaringen zoeken we naar wetten op basis van waarneming en experiment. (door waarneming)
In dit laatste stadium ontstaat volgens Comte echte wetenschap. Wetenschappelijke kennis moet namelijk empirisch zijn: gebaseerd op wat we kunnen waarnemen en controleren.
Het demarcatiecriterium van de positivisten is daarom dat wetenschap zich moet baseren op waarneembare en controleerbare feiten. Theorieën die niet op zulke waarnemingen steunen, worden door positivisten niet als echte wetenschap beschouwd.
Tegelijk roept dit criterium ook vragen op. Kunnen alle wetenschappelijke theorieën volledig worden teruggebracht tot waarnemingen? En wat doen we met ideeën die niet direct waarneembaar zijn, maar toch een belangrijke rol spelen in de wetenschap?
Auteur: A. Bulder