In de twintigste eeuw bouwde een groep filosofen voort op het positivisme van Auguste Comte. Deze groep stond bekend als de Wiener Kreis (Weense Kring), met denkers zoals Rudolf Carnap. Zij combineerden twee ideeën: het positivisme (kennis moet gebaseerd zijn op waarneming) en logica en wiskunde als hulpmiddelen om wetenschappelijke uitspraken helder te analyseren. Daarom wordt hun stroming logisch positivisme genoemd.
De logisch positivisten maakten een belangrijk onderscheid tussen analytische en synthetische uitspraken.
Analytische uitspraken zijn waar door de betekenis van woorden, bijvoorbeeld: “Een cirkel is rond.” Zulke uitspraken geven geen nieuwe kennis over de wereld en vinden logisch positivisten niet relevant voor wetenschap.
Synthetische uitspraken zeggen iets over de werkelijkheid, bijvoorbeeld: “Het regent buiten.” Deze uitspraken kunnen waar of onwaar zijn en geven nieuwe kennis over de wereld.
Volgens de logisch positivisten zijn alleen synthetische uitspraken betekenisvol voor de wetenschap als ze op een bepaalde manier te controleren zijn. Zij formuleerden daarom het verificatieprincipe: een synthetische uitspraak is alleen betekenisvol als deze empirisch geverifieerd kan worden, dat wil zeggen dat we door waarneming of experiment kunnen vaststellen of de uitspraak waar is. In eerste instantie dient het verificatieprincipe als hun demarcatiecriterium: wetenschap bestaat uit uitspraken die door waarneming gecontroleerd kunnen worden.
Maar hier ontstond een probleem. Volledige verificatie blijkt vaak onmogelijk. Om een algemene uitspraak zoals “alle zwanen zijn wit” volledig te verifiëren, zou je alle zwanen ter wereld moeten bekijken. Dat is in de praktijk niet haalbaar. Het verificatiecriterium bleek dus te streng.
Daarom stelden logisch positivisten later een alternatief voor: confirmatie. Een theorie hoeft niet volledig bewezen te worden, maar kan wel bevestigd worden door waarnemingen. Bijvoorbeeld: als we zien dat de zwanen in Meppel wit zijn, dan bevestigt dat de uitspraak dat zwanen wit zijn.
Toch heeft ook dit idee een probleem. Confirmatie kan ook zwakke of slechte theorieën ondersteunen, omdat een paar bevestigende waarnemingen nog niet betekenen dat een theorie echt betrouwbaar is. Zo kan iemand bijvoorbeeld meerdere keren zien dat water thuis bij 100°C kookt, maar dat bewijst nog niet dat dit altijd en overal zo is.
De discussie over verificatie en confirmatie laat zien hoe moeilijk het is om een duidelijk criterium te vinden voor wat echte wetenschap is. Karl Popper denkt een oplossing te hebben!
Auteur: A. Bulder